Een visie, een toekomst

Mad World! No Tomorrow, No Expression...Going Nowhere.

Pajam, 41 jaar, iraaks vluchteling, belandt na een wekenlange verdoken rit per vrachtwagen in Brussel. Helemaal uitgeput wordt hij hier onderschept en overgebracht naar Fedasil om de nodige formaliteiten te vervullen. Al snel blijkt dat deze man medische zorgen nodig heeft en komt hij binnen op de dichtstbijzijnde spoedafdeling op een vrijdagavond.

Pajam lijdt aan de ziekte van Verneuil: een chronische aandoening met abcesvorming; bij hem ter hoogte van de liesplooien en de geslachtsdelen. Deze aandoening vraagt tijdens abcesvorming een continue verpleegtechnische zorg met een strak medicatiebeleid. Wekenlang is hier op beide vlakken geen aandacht meer aan besteed. Pajam heeft hulp nodig! De spoedarts stelt een voorlopig zorgplan op; dit zal maandag verder bekeken en bijgestuurd worden door de behandelende arts van de desbetreffende afdeling. De verpleegkundigen besteden heel veel zorg aan deze man ; communicatie verloopt echter heel moeizaam. Buiten zijn eigen moedertaal en 'gebarentaal' is deze man nauwelijks ter tale. Tijdens zijn aangifte bij Fedasil kwam hij in contact met een landgenote die al jarenlang vertoeft in België. Ze wisselden mekaars telefoonnummer uit. Zo kan hij aan de hand van telefoonverkeer ons echt iets duidelijk maken. Niet elke verpleegkundige staat hier echter voor open, deze cliënt is uiterst tijdrovend voor hen. Vaak komt hij ook zeer angstig over: hoe minder empatisch de reactie van een collega, des te angstiger Pajam finaal wordt.

Op maandag komt zijn toegewezen, behandelende arts kennismaken met Pajam. Hij verfijnt het zorgplan. De communicatie verloopt stroef tussen de cliënt en de arts. Niet zozeer op taalgebied , want laat nu net de arts ook Irakees zijn. De arts maakt Pajam duidelijk dat hij hier niet langer in het ziekenhuis verblijven kan en dat hij zich terug moet aanmelden bij Fedasil daar zullen ze verder stappen voor hem ondernemen. Gans deze kwestie gaat dus uiteindelijk over centen en wetgeving. Spoedafdelingen mogen mensen in nood niet weigeren, maar cliënten met ongeldige identiteitspapieren of ziekteverzekering horen thuis in een OCMW-ziekenhuis. Zoniet kan de overheid en de mutualiteit de terugbetaling van de cliënt naar het ziekenhuis toe weigeren, en vallen uiteindelijk alle kosten ten hoofde van het ziekenhuis zelf. Voor de arts is de kous af, wil hier niet langer zijn Latijn insteken. Ontslagdocumenten worden opgemaakt met een verder verloop van een zorgplan. Pajam mag zich aanbieden bij de sociale dienst waar ze hem verdere praktische uitleg gaan geven: hoe geraak ik tot bij Fedasil.

Pajam begrijpt er geen sikkepit van en ik krijg de opdracht om hem aan de deur te zetten. Sinds een paar dagen verzorg ik samen met mijn collega's deze man. Een man van mijn eigen leeftijd, toch een wereld van verschil, mogelijkheden en kansen. Hij wil niet weg, hij wil niet langsgaan bij de sociale dienst. Ik probeer hem duidelijk te maken dat hij hier echt niet langer kan verblijven maar dat 'het systeem' wel verder kan zorgen voor hem. Via een telefoongesprek kan ik hem echt duidelijk maken dat ook ik geen andere keuze heb. Ik voel de machteloosheid groeien, bij hem en bij mezelf, alsook zijn schreeuw om hulp. Ik sta ook met mijn rug tegen de muur, weet niet goed hoe dit verder moet. Ik onderneem zelf al actie en loop op eigen houtje naar de sociale dienst waar ik gewoon papieren toegestopt krijg met de wegbeschrijving naar Fedasil: kwartiertje lopen van het ziekenhuis. Ik loop terug naar de kamer van Pajam, elke stap dichter naar hem is een stap weg van wat van mij vanuit het ziekenhuis verwacht wordt dat ik doe. Ik realiseer me tevens dat ik vanuit een machteloosheid weinig kan realiseren nu. Ik deel dit met mijn collega's en zeg hen dat ik deze man met zijn klikken en zijn klakken niet zomaar op straat kan zetten. De meesten van hen reageren nauwelijks en zijn met hun ding bezig, hun ochtendronde, hun cliënten. Een oudere collega ziet/voelt wat erin mij omgaat en begrijpt ook dat dit geen manier van werken is. Zij vertelt me dat Pajam inderdaad niet langer hier kan blijven maar dat het wel een goed idee zou zijn dat ik hem persoonlijk zou begeleiden tot aan Fedasil om alsnog daar even wat verduidelijking te kunnen brengen voor hem. Zo zou zijn angst wat kunnen afnemen en weet hij ook waar hij nu voor staat. Mijn collega neemt het op voor mij en belt naar de personeelsdirecteur, schetst deze situatie en vraagt de toestemming of ik deze man begeleiden kan. Een kort gesprek, een krachtig antwoord : ja!

Ik help Pajam zijn koffer pakken en we begeven ons samen naar Fedasil. De abcesvorming in zijn liesplooi bezorgt hem behoorlijk wat last tijdens het stappen, ik ben reuzeblij dat ik hem 'op weg' helpen kan. Hij bedankt mijn collega's nog met een groot stuk lekkere chocolade( wat achteraf blijkbaar integraal in de vuilnisbak belandde, ze waren vies van hem).

Ik help Pajam met de nodige formaliteiten bij Fedasil; blijkbaar is er een opvangplaats voor hem voorzien in een asielcentrum in de Ardennen. Hij wil daar echter niet naartoe. Na weeral een telefoongesprek met zijn landgenote kan ik hem overtuigen. Ik begeleid Pajam verder tot aan het treinstation en zet hem persoonlijk op het juiste spoor. Ik wil hem nog wat zakgeld meegeven, dat wil hij niet. De trein...omhelst me, Pajam stapt op. Het ga je goed!!